Decennialang voor dezelfde baas werken, is dat nog van deze tijd?

Dienstverband De ene jongere wisselt vaak van baan omdat er geen vast contract is, de andere toont er ambitie mee. De jubilaris met veertig dienstjaren: „Ik ben eigenlijk wel een dinosaurus hier.”

 

Wat Mieke van den Oord (65) vooral zag veranderen op kantoor? De uittrede van papier, zegt ze zonder twijfel. Fysieke agenda’s maakten plaats voor Google Calendar, kas- en grootboek veranderden in excelletjes en pdf’jes.

Maar écht bijzonder was voor haar het eerste digitale kopieerapparaat. „Vroeger had je een grote Xerox-machine, voor één kopietje moest je twee handelingen verrichten”, zegt ze. „Wilde je een rapport in tachtigvoud kopiëren? Nou, dan zat je de hele dag achter zo’n apparaat.” En dan moest je óók nog oppassen dat je je handen niet brandde aan de machine, of dat paperassen niet in vlammen opgingen. „Daar ontwikkelde je handigheid in.”

Van den Oord viert deze maand haar vijftigjarig jubileum bij PwC – en tegelijkertijd haar pensioen. Ze begon bij een klein accountantskantoor in Vught, dat door fusies en overnames opging in het internationale accountants- en advieskantoor, en werkte onder meer als secretaresse en receptioniste. Nu is ze HR-medewerker in het Eindhovense kantoor. „Ik heb me er geen dag verveeld. Maar na vijftig jaar is het mooi geweest.”

Jobhoppen en flexwerken
De arbeidsmarkt is de afgelopen decennia veranderd. De baan voor het leven lijkt verdwenen, ervoor in de plaats kwamen flexibilisering en termen als jobhoppen, flexwerken en zzp’en. Volgens het Verwey-Jonkers Instituut verrichtte 40 procent van de Nederlandse beroepsbevolking in 2016 een vorm van flexibele arbeid – die statistieken betreffen vooral starters en lageropgeleiden.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek wisselen 25- tot 45-jarigen twee keer zo vaak van baan als 45-plussers. Is het voor jongeren nog denkbaar vijftig jaar bij dezelfde baas te werken, zoals Van den Oord bij PwC?

Arbeidssocioloog Fabian Dekker ziet geen grote verschillen in de duur van het dienstverband bij dezelfde werkgever tussen de jonge generaties van vroeger en die van nu. Hij is verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en deed onderzoek naar de arbeidsmobiliteit van verschillende leeftijdsgroepen in een periode van vijftien jaar. „Gemiddeld wisselt zo’n 30 procent van de werknemers per twee jaar van baan, zagen we”, zegt Dekker. „Dat is in die vijftien jaar niet echt veranderd.”

Vooral de economische conjunctuur bepaalt of werknemers wisselen van baan, niet zozeer leeftijd of generatie, zegt hij. „Is de economie goed, dan is er meer baanwissel. Is de economie slechter, dan is er minder verandering.”

Tijdelijke startposities
Of de jongeren van nu minder vaak lange dienstverbanden zullen hebben, laat zich moeilijk voorspellen, zegt Agnes Akkerman, hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. De arbeidsmarkt is veranderd, ja, vooral voor starters en lageropgeleiden. „Startposities zijn vaak tijdelijk en jonge mensen wisselen vanwege hun leeftijd waarschijnlijk vaker van baan.”

Dat zegt volgens haar nog niets over de mobiliteit op de arbeidsmarkt als die generaties ouder worden. „Het kan best zijn dat eind-twintigers van nu, over dertig jaar, ook al 25 jaar bij dezelfde werkgever werken. Dat is nu nog niet na te gaan.”

Bij de huidige ‘oudere’ generatie, de dertigers en veertigers, ziet ze meer vastigheid ontstaan. „Werknemers vergaren na verloop van tijd meer werkervaring, waardoor ze uiteindelijk in aanmerking komen voor langduriger contractvormen.”

Veel mensen willen volgens Akkerman ook nog steeds een vaste baan. Een groot deel van de samenleving is namelijk ingericht op het vaste dienstverband. Het kopen van een huis, bijvoorbeeld. Een hypotheek is nog altijd veel makkelijker af te sluiten met een vast contract.

Daarnaast geeft een vaste baan de zekerheid waar veel mensen naar op zoek zijn, bijvoorbeeld wanneer ze een gezin stichten, zegt onderzoeker Dekker. „Bovendien spreekt uit een langdurig dienstverband ook erkenning en waardering van de werkgever naar de werknemer”, zegt hij. „Een lang dienstverband is meer dan alleen zekerheden. Het is ook een soort psychologisch contract.”

Toch kan het lonen van werkgever te wisselen, zegt Dekker. „Je ziet soms dat mensen te lang blijven hangen bij hun werkgever en mentaal eigenlijk al gepensioneerd zijn bij hun baas. Dan is het misschien verstandig eens om je heen te kijken of er nog wat anders is.”

Een beetje familie
De arbeidsmarkt zelf is veranderd, maar ook verschuivende culturele opvattingen over werk kunnen invloed hebben op hoe lang iemand bij dezelfde baas blijft, zegt hoogleraar arbeidsmarkt Ton Wilthagen, van de Tilburg University. Volgens hem denkt de huidige generatie jongeren anders over werk en lang bij dezelfde baas blijven dan jongeren van vroeger.

„Bedrijven waren vroeger meer een gemeenschap. Ze waren niet lean, mean en agile, maar een beetje familie”, zegt Wilthagen. Dat bond mensen aan het bedrijf. Philips bijvoorbeeld, dat een eigen sportvereniging had, een gezondheidsdienst, een gepensioneerdenvereniging en een studiefonds voor kinderen van werknemers. „Nu is het als grote multinational waarschijnlijk nog steeds een goede werkgever, maar voelen werknemers zich misschien minder onderdeel van een hechte gemeenschap.”

Dat veranderde in de jaren zeventig en tachtig, zegt Wilthagen, toen het neoliberale denken ook in Nederland zijn intrede deed. „Er vond een rationalisering van het HR-beleid plaats. De kijk veranderde op personeelsmanagement en het idee van een bedrijfsgemeenschap. We gingen meer werven met assessments en systemen om te kijken of iemand productief was. De nadruk kwam veel meer op efficiëntie te liggen.”

Zo ontstond volgens hem bij veel mensen ook het idee dat lang bij hetzelfde bedrijf blijven werken niet altijd positief is. „Ik zie bij jongere generaties dat ze het idee hebben af en toe van baan en werkgever te moeten wisselen als blijk van hun ambitie”, zegt Wilthagen. Ook is een soort ongemak ontstaan rondom lang bij dezelfde baas blijven, ziet hij. „Een collega die het veertigjarig jubileum vierde, zei: ‘ik ben eigenlijk wel een dinosaurus hier’. Sommigen hebben het gevoel zich te moeten verontschuldigen dat ze ergens lang werken.”

Wat zagen zij de voorbije decennia veranderen?

„Het werk is internationaler geworden. De voertaal bij PwC is steeds vaker Engels. Logisch natuurlijk, maar daardoor kom je niet meer zo makkelijk mee als jongere werknemers. Dat maakt me weleens onzeker. En natuurlijk het internet: vroeger kreeg je handgeschreven sollicitaties binnen en zag je direct of iemand een sloddervos was. Als de postzegel er op z’n kop op zat of het adres op de verkeerde kant stond, bijvoorbeeld. Nu zien alle brieven er hetzelfde uit en pakken collega’s er als eerste het Instagram-account van een sollicitant bij.

„Ook de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt is nu natuurlijk anders. In feite had je in de jaren zeventig als meisje drie keuzes: verpleegster worden, in de winkel werken of op kantoor. Nu ligt de wereld open en hebben ook vrouwen veel meer mogelijkheden. Dat is goed, maar voor mezelf vind ik het prima zoals het vroeger ging. Al die keuzes maken het er ook niet makkelijker op.”

„Ik begon op mijn zeventiende met een bijbaantje in de Albert Heijn in Zwijndrecht. Daar werk ik inmiddels weer, alleen nu als supermarktmanager. Ik werkte op de vleesafdeling en deed via mijn werkgever de slagersvakschool. Dat was in de tijd dat er veel meer bedieningsafdelingen waren in de supermarkten – voor vlees, kaas en zelfs groente en fruit. Tussendoor werkte ik ook nog op verschillende kantoren van Albert Heijn.

„De openingstijden van winkels zijn tegenwoordig ruimer. Ook werken er minder mensen in de winkel dan vroeger. Veel bedieningsafdelingen zijn weg en er zijn zelfscankassa’s bijgekomen, bijvoorbeeld. En toen ik begon, kreeg je na twee maanden een vast contract van veertig uur en werkte je van negen tot zes.

„Nu hebben we heel veel mensen in korte diensten werken, van zo’n drie of vier uur per dag. Daardoor is de verdeling nu anders: meer parttimers, minder mensen die fulltime in dienst zijn. De verhoudingen zijn voor mijn gevoel wel losser geworden. Een manager is veel bereikbaarder dan vroeger. De hiërarchie is afgenomen. Jongeren zijn veel mondiger, denk ik.”

„Ik begon op mijn negentiende als monteur bij de technische dienst van KLM. Nu ben ik, na veel bij het bedrijf geleerd te hebben, onderhouds- en veiligheidsmanager. Technologisch zijn de vliegtuigen natuurlijk veranderd – ze zijn veel moderner, stiller, zuiniger en veiliger. Veiligheid op de werkvloer is ook verbeterd en het bedrijf is minder hiërarchisch geworden. Collega’s durven zich nu eerder tegen een leidinggevende uit te spreken als ze denken dat iets misgaat.

„Daarnaast zijn er veel vrouwen bijgekomen. Toen ik na tien jaar monteur werd bij een ander deel van het bedrijf, waren daar twee vrouwelijke monteurs. Dat was al verfrissend: de techniek was echt een mannenwereld. Maar het is verbeterd. In mijn huidige afdeling is ongeveer 15 procent vrouw.

„Dat kan natuurlijk beter, en het moet ook. Maar soms gaat verandering langzaam. Toen ik medio jaren negentig een eerste kind kreeg, wilde ik ouderschapsverlof aanvragen. Dat was net opgenomen in onze cao. Maar mijn personeelsmanager zei: nee, daar doen wij niet aan bij de technische dienst. Dat vond ik raar. Ik ben het gesprek aangegaan en kreeg uiteindelijk ouderschapsverlof. Sindsdien zijn veel collega’s gevolgd.”

bron: NRC