Handhaving Wet DBA nog ‘uiterlijk 2,5 jaar’ opgeschort. Kabinet wil eerst werken aan duidelijkheid

Handhaving op schijnzelfstandigheid blijft tot ‘uiterlijk’ 2,5 jaar opgeschort. Eerst wil het kabinet duidelijke regels rondom de inhuur van zzp’ers, een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen en onderzoek naar de gevolgen van handhaving voor controlerende instanties.

 

Goede handhaving op schijnzelfstandigheid kan alleen als er duidelijkheid is over regelgeving en er een ‘gelijker speelveld’ is tussen zelfstandigen en werknemers op het vlak van belastingen en sociale zekerheid. Dat schrijven minister Karien van Gennip (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en staatssecretaris Marnix van Rij (Fiscaliteit en Belastingdienst) vrijdag in een kamerbrief. Die duidelijkheid is er niet, dus blijft het handhavingsmoratorium op de Wet DBA voorlopig bestaan.

Al vanaf het begin van de Wet DBA is de handhaving opgeschort. Dat moratorium is wel iets milder geworden, maar wordt nog steeds verlengd. Ook nu weer. “Voordat het handhavingsmoratorium volledig wordt afgeschaft, moet duidelijk zijn hoe de handhaving goed kan plaatsvinden”, schrijven de minister en staatssecretaris. De ambitie: uiterlijk 1 januari 2025 moet de Belastingdienst volop aan de slag.

Minder verschillen, meer duidelijkheid
Maar voor het zover is, moet het kabinet maatregelen nemen om fiscale en arbeidsrechtelijke verschillen tussen werknemers en zzp’ers te verkleinen. Ook moet duidelijker worden wanneer een opdrachtgever een zelfstandige mag inhuren.

Volgens Van Rij hebben zowel ondernemers als de Belastingdienst behoefte aan duidelijkere wetgeving, vooral in het arbeidsrecht. Dat maakt toezicht makkelijker en ” zal leiden tot meer zekerheid onder opdrachtgevers en opdrachtnemers dat zij de wet juist naleven.”

Meer over nieuwe regels in hoofdlijnenbrief
Minister Van Gennip gaat in haar ‘hoofdlijnenbrief arbeidsmarkt’ uitgebreider in op de verduidelijking van die wet- en regelgeving. Deze hoofdlijnenbrief verschijnt waarschijnlijk eind volgende week. Daarin schrijft ze ook hoe zij werkenden wil helpen hun rechtspositie op te eisen, onder andere ‘via een rechtsvermoeden van werknemerschap’.

Het idee van een rechtsvermoeden is een advies van de Sociaal-Economische Raad (SER). De SER raadt aan zo’n vermoeden van werknemerschap toe te passen bij uurtarieven van minder dan 30 à 35 euro. In hoeverre de minister dit advies overneemt, is niet duidelijk.

Lees ook: 8 varianten voor de vervanging van de Wet DBA
Webmodule
Duidelijkere regels zijn volgens het kabinet ook nodig, omdat de webmodule onvoldoende duidelijkheid geeft. Deze online tool is volgens Van Rij ‘een geschikt instrument om een indicatie te geven over de aard van de arbeidsrelatie’, maar webmodule kan geen zekerheid geven. Hij benadrukt dat tool momenteel in 28% van de gevallen geen indicatie geeft. Juist in die gevallen is de meeste behoefte aan duidelijkheid.

Nauwelijks controle
Van Gennip en Van Rij reageren in de brief vrijdag op een rapport van de Algemene Rekenkamer en een onderzoek van de Auditdienst Rijk (ADR) over de handhaving op schijnzelfstandigheid. Uit deze onderzoeken blijkt dat de Belastingdienst nauwelijks bedrijven aanpakt die werknemers onterecht als zelfstandige laten werken.

Daar zijn meerdere oorzaken voor. Ten eerste het handhavingsmoratorium, maar ook het feit dat regels te ingewikkeld zijn, fiscale en arbeidsrechtelijke beoordeling door elkaar lopen en personeelstekort bij de Belastingdienst.

In het rapport van de ADR staat hoe lastig het is voor de Belastingdienst om toezicht op de arbeidsrelaties te houden. Controles zijn tijdsintensief, de capaciteit beperkt. De ADR suggereert daarom de bewijslast om te draaien: laat werknemers bewijzen dat iemand géén werknemer is. “Dit kan Belastingdienst veel tijd en energie besparen.”

Aanpak in samenhang: gelijk speelveld
Van Gennip en Van Rij benadrukken dat zij schijnzelfstandigheid ‘in samenhang’ willen aanpakken. Voordat de Belastingdienst aan de slag kan, wil het kabinet zorgen dat er minder fiscale en arbeidsrechtelijke verschillen zijn tussen werknemers en zelfstandig ondernemers. Dat wil het kabinet onder andere voor elkaar krijgen met de afbouw van de zelfstandigenaftrek en een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers.

In het najaar komen Van Gennip en Van Rij met een brief over werken als zelfstandige, inclusief een plan van aanpak over de intensivering van de handhaving tot het moment dat het moratorium wordt opgeheven. Zo moeten zowel ondernemers als de Belastingdienst genoeg tijd hebben om zich voor te bereiden.

Onderzoek gevolgen Belastingdienst, UWV en Arbeidsinspectie
Voordat de fiscus aan de slag moet, wil het kabinet dat duidelijk is hoe de handhaving goed kan plaatsvinden. “Het handhavingsmoratorium opheffen is een forse stap die het nodige vergt van zowel de markt als de Belastingdienst,” schrijft Van Rij. Hij verwacht dat het aantal ‘vooroverleggen’ en aanvragen voor modelovereenkomsten flink zal oplopen. Dat kan de Belastingdienst nu niet aan.

Daarom moet de Belastingdienst eerst een uitvoeringstoets en een MKB-toets doen. Ook het UWV en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) onderzoeken eerst wat voor hen de gevolgen zijn van de opheffing van het handhavingsmoratorium.

Tot slot benadrukken de bewindslieden dat zij ‘voor de zomer’ sociale partners, relevante stakeholders en sectoren zoals het onderwijs, zorg, cultuur en de bouw zullen betrekken.

Bron: ZIPconomy